Geschiedenis

Omtrent de stichtingsdatum van het Gennepse Sint Martinusgilde is niets met zekerheid bekend. Volgens de overlevering zou het gilde gesticht zijn omstreeks het jaar 1307, maar tot op heden werd hiervan geen enkel feitelijk bewijs geleverd. Nasporingen in diverse Nederlandse en Duitse archieven leverden tot nog toe geen enkel resultaat op. Eveneens is slechts uit de overlevering bekend, door wie het gilde werd gesticht, alhoewel ten aanzien hiervan ook twijfel bestaat of de stichteres de Vrouwe van Gennep dan wel de Hertogin van Kleef was.
Zeker is echter, dat er een bijzondere reden moet zijn geweest, die tot het stichten van het gilde aanleiding gaf. Hiervan getuigen nog de aan het gilde verleende voorrechten, de geschonken eigendommen, die helaas alle verloren zijn gegaan en de thans, in 1982, nog voortlevende tradities. Een aantal van deze tradities zijn echter niet meer in hun oorspronkelijke vorm aanwezig, doch zijn aan de veranderde tijdsomstandigheden aangepast. Wanneer we konden beschikken over de stichtingsakte, welke ongetwijfeld eertijds werd opgemaakt en eventuele andere geschiedkundige geschriften het gilde betreffende, zou wellicht veel verklaard kunnen wordenvan datgene, wat thans nog in het gilde voortleeft, hetgeen tot een beter begrip en tot meer waardering zou kunnen leiden.
In 1493 (jaartal staat op het huidig hoofdvaandel) wordt het gilde vernoemd, want toen stichtten "de giltbroederen van Sint Martini gilde ofte confraterniteit in Gennep" een vicarie in de parochiale kerk. Als deze vicarie openviel had het broederschap het recht om een nieuwe vicaris te kiezen. Hierover staat geschreven: "de gildtbroeders, gelijck sy dan sijn gewest de stifters deser vicarye, zijn ook vergifters derselve".

Het Sint Martinusgilde van Gennep, alhoewel uit Limburg stammend, is aangesloten bij de kring het "Land van Cuijk" van de brabantse Federatie van Schuttersgilden. Dit lidmaatschap is historisch juist, aangezien Gennep van oudsher verbonden was met vele plaatsen binnen het "Land van Cuijk" en thans op velerlei gebied daarop is gericht. Met diverse "Schützenbruderschaften" uit het naburige Duitse grensgebied worden eveneens goede contacten onderhouden.
Men vraagt zich in deze moderne tijd wel eens af, of het nog zin heeft, een dergelijke traditionele vereniging in stand te houden, nu oude waarden veel van hun betekenis hebben verloren en sommige zelfs geheel verdwenen zijn. Wij menen echter, dat wij het aan deze eeuwenoude, maar toch nog zeer levende broederschap verplicht zijn, de toorts brandende te houden en op deze manier de verschraling van het maatschappelijk leven in Gennep en omgeving te voorkomen.Moge het ons gegeven zijn, dejongere generatie met dezelfde intensie te bezielen, ten bate van het gildewezen in zijn algemeenheid, en van het Sint Martinusgilde in het bijzonder.

Deelname aan de Sacramentsprocessie

(bron foto: www.gennepnu.nl)

"De broeders van het Sint Martinusgilde zouden in de eerste plaats God moeten verheerlijken door hun grote ijver en eerbied jegens het Hoogwaardigst Sacrament, vooral als dit in plechtige processie door de stad Gennep wordt gedragen". Deze verplichting is door de gildebroeders altijd stipt nagekomen. Het baldakijn, eigendom van het gilde, werd door vier gildebroeders gedragen, terwijl het Allerheiligste geflankeerd werd door vier piekdragende gildebroeders. Vóór het Allerheiligste liepen de tamboers en de vendeliers en vlak erachter de gildekeizer, de schutterskoning en de overige gildebroeders. Tijdens de processie werd er door de vendeliers veelvuldig gevendeld en bij elk rsutaltaar werd het hoofdvaandel op de grond gelegd waarover de priester zich met de monstrans naar het rustaltaar begaf.
Nu er sinds het jaar 1970 geen sacramentsprocessie meer gehouden wordt beperkt het gilde-eerbetoon zich tot het in volledige formatie bijwonen van de hoogmis op sacramentszondag, tijdens welke viering het gebruikelijke gilde-eerbetoon wordt gebracht. Dit eerbetoon wordt ook gegeven bij de hoogmis op Sint Martinusdag, bij het huwelijk van een gildebroeder, bij de begrafenis van een gildebroeder en bij bijzondere gebeurtenissen, waarbij de aanwezigheid van het gilde gevraagd of vereist is.

Viering patroonsfeest

"Hun verheven patroon Sint Martinus zouden zij eren door zijn feest als een verplichte zondag te vieren met een plechtige hoogmis, waarin de broeders de offergang zouden houden, zoals dat de gewoonte was bij plechtige gelegenheden". Deze traditiebestaat thans nog in zijn oude vorm. De Hoogmis wordt altijd opgedragen op de maandag, volgend op het feest van Sint Martinus op 11 november, omdat 's  zondags het patroonsfeest van de parochiekerk wordt gevierd. Het bijwonen van deze hoogmis is voor de leden "boetplichting". Indien zij wegens zeer drigende redenen niet aanwezig kunnen zijn, moeten zij zich laten vertegenwoordigen door een hunner huisgenoten.

Hieronder een korte video impressie van de Martinusoptocht 2014 met dank aan Harm Theunissen



Het Sint Martinuslied wat gezongen wordt tijdens het Sint Martinusfeest.

MARTINUSLIED (melodie: U zij de Glorie)
 

Sinte Martinus, strijder voor Gods kerk,
als soldaat van Christus waart gij groot en sterk.
Spot moest gij verdragen toen g'uw mantel gaf,
en geen zwaard mocht dragen, maar de bisschopsstaf.
Sinte Martinus, wij vereren u,
schenk in naam van Christus, ons uw liefde nu.
 

Gij die de armen gaf uw liefde groot,
steeds weer vol erbarmen, sterkte in hun nood.
Toon ook ons uw gaven, luister naar ons woord,
dat wij u vragen immer wordt verhoord.
Sinte Martinus, dienaar van de Heer,
in uw hoop op Christus, sterk ons immer meer.
 

Wij treden nader tot uw bisschopstroon,
eren u als vader en als kerkpatroon.
Gij, die ooit mocht geven zieken levenskracht,
geef ook ons nieuw leven door uw wondermacht.
Sinte Martinus, groot is uwe faam,
door 't geloof in Christus eren wij uw naam.

Gildekaars

"Het beeld van Sint Martinus in de parochiekerk zouden zij in hoge ere houden en de gildekaars zou op zondagen en hoogtijdagen branden als een blijvend eerbetoon. Deze kaars is geplaatst bij het Sint Martinusaltaar en wordt op de zondagen en kerkelike feestdagen onder de hoogmis aangestoken. Dit is ook het geval bij huwelijks- of begravenisplechtigheden voor een gildebroeder of gildezuster of wanneer er een Heilige Mis tot intensie van het gilde wordt opgedragen.

Dodenherdenking

"Hun afgestorven medebroeders zouden zij ten eeuwigen dage gedenken in de Heilige Mis, daags na Sint Martinus, die zij ook met een plechtige offergang zouden opluisteren. Deze hoogmis vindt plaats op dinsdagavond, welke evenals de andere kerkdiensten voor de leden boetplichtig is. De herdenking van de doden heeft echter ook reeds plaats bij de viering van Allerheiligen en wordt gehouden op het kerkhof, waar voor de overleden gildebroeders en gildezusters gezamelijk wordt gebeden, waarna aan hen een vendelgroet wordt gebracht.

Broodspende

"In Christelijke geest zouden de broeders van Sint Martinus ieder jaar, naar behoefte der armen, op de feestdag van hun patroon, achttien grote broden spenden in de parochie, opdat niet de arme medemens zou hongeren terwijl de broeders feestvierden". Deze broodspende werd in 1969 weer ingevoerd op initiatief van de "officierskamer". Een onderzoek bracht aan het licht, dat de broodspende voor het laatst was gehouden in 1926. Gebrek aan belangstelling voor dit gebeuren heeft er indertijd toe geleid, dat men het beter achtte deze spende achterwege te laten. Voorheen waren het achttien roggebroden, elk negen pond zwaar. Hoe het getal achttien is instaan kon historisch niet achterhaalt worden. Mogelijk is echter, dat deze hoeveelheid brood was afgemeten naar de opbrengst van een akker of een gedeelte daarvan (tienden) of naar een bepaalde Gennepse maat. Aangezien dat deze traditie in deze tijd van vele sociale voorzieningen niet meer geheel aan de oude doelstelling kon beantwoorden is gezocht naar een meer aangepaste vorm. In plaats van achttien roggebroden heeft de "officierskamer" gekozen voor twintig krentenbroden, elk 2400 gram, welke als een tractatie worden aangeboden aan de bejaarden van huize "Sint Norbertus" en aan het bejaardenhuis van de paters van de Heilige Geest, terwijl het grootste gezin van Genep elk jaar eveneens twee broden ontvangt. Als aanvulling op de broodspende wordt ook jaarlijks aan het missiecomité van de parochie een bedrag in geld geschonken. In het kader van deze broodspende kan ook geplaatst worden de jaarlijkse fakkeloptocht voor de kinderen van de parochie Gennep. Na afloop van deze optochten wordt het Sint Maartensvuur ontstoken en daarna worden aan alle deelnemende kinderen versnaperingen uitgereikt.

Teerdagen

"Het feest van hun patroon zouden zij niet alleen plechtig vieren in de kerk, maar zouden zij dit feest, tot bevestiging hunner vriendschap, daarbuiten vieren en in het Gildehuis feestmaal houden. Niet slechts de broeders zouden feesten maar ook hun huisvrouwen zouden als zusters getracteerd worden". Op maandag na Sint Martinusdag worden na het bijwonen van de hoogmis, welke tot intensie van de levende leden werd opgedragen, de gildezusters in het gildehuis getracteerd op een koffietafel. Gelijktijdig hielden de leden van de "officierskamer" toendertijd receptie waar meestal kerkelijke en wereldlijke autoriteiten en enkele belangstellenden op bezoek kwamen. De eigenlijke "teerdag" heeft tegenwoordig echter plaats op de zaterdag na Sint Martinusdag (was voorheen de dinsdag). Deze begint met een hoogmis in de parochiekerk tot intensie van de overleden gildebroeders en -zusters. Aansluitend hierop heeft de gildemaaltijd plaats en daarna begint de eigenlijke feestavond.

Het wippen en wipgeld

Nieuwe leden van de broederschap en hun echtgenoten of verloofden worden als lid "bevestigd" door hen "te wippen". Hiertoe neemt de betrokkene plaats op een stoel welke door vier of meer personen een aantal malen in de hoogte wordt geheven. Tijdens deze handeling wordt door alle aanwezigen gezongen: "Lang zal hij (zij) leven". Dit wippen gebeurt altijd op de dag dat de teerdag wordt gevierd.
Ook valt deze "eer" te beurt aan officiële personen welke voor het eerst de gildereceptie bezoeken en aan zogenaamde "indringers", dat wil zeggen personen die gedurende de teerdagen opzettelijk of toevallig in het gildehuis geraken. Eenieder, die op deze wijze "gewipt" is dient het verschuldgde "wipgeld" te betalen, hergeen meestal geschiedt door het schenken van een liter drank of de tegenwaarde daarvan in geld. Er is bij ons niet bekend, hoelang deze traditie reeds bij het Sint Martinusgilde aanwezig is en evenmin, op welke wijze deze is ontstaan.

(bron tekst: boek De Gouden Guld)